Afrekenen

Muzikale avonturier. “Ik wil alle muziek van de wereld leren kennen. Klanken zijn mijn palet waarmee ik gevoelens beschrijf. Muziek maakt me blij en laat mij nooit in de steek.”

Arnold Veeman wordt geboren op 14-01-73 in Groningen. Als een paar maanden oude baby komt hij terecht in een groot en warm boerengezin in Pieterzijl. De klanken van de oude boerderij en haar omgeving associeert Arnold van jongs af aan met instrumenten. Zijn grote broers en zussen luisteren naar echte jaren zeventig muziek zoals Steely Dan, Deep Purple, The Eagels, The Beach Boys, The Rolling Stones en The Who.
Hij komt erachter dat de blaadjes uit de bomenlaan klinken als een crescendo van violen die in tremolo spelen. Dit is o.a. te horen in “Aiweg” van de CD Contrast uit 2004. De klank van strijkers leert hij het diepst waarderen door het liedje ‘One day I’ll fly away” van Randy Crawford. Arnold speelt graag buiten, houdt van de natuur en het boerenleven. Waar hij ook is; hij fluit. Op de boerderij hoort hij dat ruimtes hun eigen klank hebben. Hij ontdekt ook de verschillende klanken achter de toetsen van de piano. Wanneer hij een knusse binnenruimte muzikaal omschrijft gebruikt hij, sindsdien, dit instrument.

FOTO!!

Arnold verhuist, net 2,5 jaar oud, naar Delft. Hij woont daar in studentenflat midden in de stad. De klanken zijn hier anders dan op de boerderij. Wanneer hij bovenop de flat (19 hoog) staat hoort hij het ruisen van de stad. Dit verwerkt hij in het lied “Time”, Contrast 2004.
De studenten in Delft luisteren naar dezelfde muziek als zijn broers op de boerderij. Wanneer Arnold deze muziek hoort komt direct het fijne gevoel van de boerderij terug in hem. Deze ervaring is voor hem “het ei van Columbus.” Later analyseert hij hoe deze muziek is opgebouwd en past hij het toe in zijn eigen liedjes. De muzikanten waren ambachtslui, de arrangementen, zowel voor strijkers en blazers zorgvuldig opgebouwd, veelvuldig gebruik van “close miking” en “dode ruimtes” en een elektrische bas (bijvoorbeeld de legendarische Rickenbacker bas) werd gespeeld met een plectrum; ingrediënten die Arnold meeneemt bij het componeren, inkleuren/arrangeren en inspelen van zijn eigen muziek.

In Delft wint hij zijn eerste prijs. Hij mag een opname bijwonen van de Film van Ome Willem. Wat een ervaring, hij ziet voor eerst live jazz muzikanten. Ze luisteren goed naar elkaar en beheersen hun instrumenten. Muziek spelen met een groep, het gemak, het echte contact met elkaar en het publiek. Leeftijd maakt niet uit, oude mensen kunnen ook lol hebben en kind blijven. Het geeft hem hoop en hij weet nu dat hij dit ook wil.

Bij de familie op de boerderij wordt er voor het eten gebeden. Arnold vraagt zich af waarom ze bidden en wie, in godsnaam, Jezus is. Hij hoort dat er in de bijbel mooie verhalen van vroeger en van Jezus staan en dat hij wonderen verrichtte. Het meest bijzondere wat hij hoort; de bijbel is geen sprookje, het is een waargebeurd verhaal. Dit geeft hem moed. Hij wil dit boek lezen. Hij ziet dat andere mensen kunnen lezen en hij niet. Hij is 5 jaar en leert het zichzelf aan. Arnold ziet elk boek als een voorleesboek. Het eerste boek dat hij leest is de (kinder)bijbel. 

Arnold verhuist op zijn 5de naar Makkum. Hij is daar vaak in de bibliotheek op zoek naar boeken die hij verslindt; van dinosaurus tot duikboot, als hij maar kan leren. Zijn speciale aandacht gaat uit naar de serie “Hoe en waarom”. Hierin vind hij veel antwoorden op vragen die hij had. In andere boeken, over de Nederlandse geschiedenis, ziet hij plaatjes van schilderijen van oude meesters. De sfeer van deze schilderijen spreekt hem aan. Hij wil in de huid kruipen van iemand uit die tijd op die plek; en… wat hoort hij dan?

Hij bedenkt zelf de muziek bij de plaatjes die hij ziet. Arnold heeft reeds een rijk ontwikkelde referentie voor geluiden van ruimtes door de vele woonplekken die hij in zijn jongen leven bewoont. Hij hoort het verschil tussen het ruisen van de stad (boven op de flat in Delft), de stilte van de boerderij op Groningse platteland (een G-majeur akkoord staat bij hem voor kleur groen, ook al is dat wetenschappelijk gezien de toon C – overeenkomstig met de golflengte van 521 nm, is ± 130 hz) De compositie “Paiderboeren” Toukomst 2011 staat in de toonsoort G. klavecimbel geluid symboliseert de geborgenheid van een kleine, knusse ruimte; de strijkers voor de omgeving buiten. De feeërieke door Enya geïnspireerde klanken van het Friese dorp Makkum (terug te horen in de akkoord progressies in “Wilde maaid”, Toukomst 2011.. Het zijn elementen die steeds terugkeren en vertaalt worden in zijn muziekstukken.

 

Arnold komt bij opa van moeders kant voor het eerst in contact met klassieke muziek. Hij hoort hierin meer lagen dan in de popmuziek. Veel later wordt hij zich bewust waardoor dit komt. Deze gelaagdheid hoort hij terug in de underscores en titelmuziek bij series als Dick Turpin (binnen gebruikte men een spinet, voor buiten hoor je de complete bezetting als een symfonie ), My secret Valley (Bij spanning was er tremelo strijkers, op weg naar een karakter was er een bepaald soort karakter muziekje), De Zevensprong, Tom Sawyer en Hamelen (per locatie gebruikt men hier verschillende klankvelden, ingespeeld omroeporkesten). Arnold ontdekt structuren die rust geven en zeer efficient werken. Dit inspireert hem.

Andere programma’s en boeken prikkelen hem ook zoals de Film van Ome Willem en Suske en Wiske. De muziek hierbij heeft iets knulligs en humoristisch. Hij houdt van de lol die muzikanten hebben in combinatie met vakmansschap. Dit is bij Arnold terug te horen in Bommen Berend the musical.

 

Arnold leert zichzelf als hij 8 jarige gitaar spelen via boekjes met vingerzettingen van en op de gitaar van zijn moeder. Uren brengt hij door op zijn kamertje om zeker zo virtuoos te worden als zijn voorbeelden (o.a. Walter Becker (Stealy Dan), Ry Cooder, Leadbelly. Later kwamen erbij John Thurnbull (Talk Talk), Jimmy Villotti (Paole Conte)

Arnolds oom troubadoer Doede Veeman heeft veel invloed op Arnold. Diepe Gesprekken over muziek en politiek. Voelt zich thuis daar ook bij zijn zoon. Eerste liedje bij hem opgenomen. Arnold wilt muziek vastleggen. Doede stimuleert Arnold om lekker met muziek bezig te zijn. Lied van Doede “Hurde Friezen” over echte Friezen die staan voor hun cultuur en hun taal, en reflectie op maatschappij en identiteit. Arnold beseft dat hij dit ook wil doen.

In Zoutkamp koopt Arnold op zijn 15de met zijn moeder zijn eerste elektrische gitaar.

Hij gaat altijd met haar mee naar diverse bandworkshops en coachings mee. Hij luistert goed naar de gitaarleraren en zo leert hij veel over zingen, podiumpresentatie en gitaar spelen. Arnold en zijn moeder hebben echte entertainvibes en vanuit deze workshops ontstaat de succesvolle kroeg- en straatband “Pieterburen Overlast”.

Bij het open podium in Cafe…Groningen treedt “Pieterburen Overlast” voor het eerst op. Het repertoire bestaat uit folkliedjes die op een grappige manier vertolkt wordt door het trio. Dit slaat aan en er volgt een periode van 100den optreden door Nederland en Europa. Arnold ontwikkelt zekerheid op het podium. Hij merkt dat hij zichzelf is wanneer hij speelt en dat waardeert het publiek.

 

In deze periode zit Arnold zo veel hij kan op de muziek de Bibliotheek in Groningen op de muziek afdeling. Hij zoekt naar de componist van zijn favoriete jeugdserie “de zevensprong”, Tony Eijk. En de filmmuziek van Rogier van Otterloo met de speciale stijl van het Metropool orkest. Zij zijn in staat om een fijn gevoel van een bepaald moment vast te houden in hun muziek. In de bibliotheek kan Arnold nauwelijks iets over hen vinden. Dus vraagt hij ernaar. Hij krijgt zo bladmuziek waar hij niets van begrijpt evenals vele luistertips en namen van andere componisten. Toch blijft dit allemaal wat abstract voor hem totdat hij op zijn 17de in contact komt met de Groninger kunstenaar Hilmar Scheaffer.

Tijdens het schilderen heeft Hilmar Schaeffer barok of renaissance muziek opstaan en Arnold hoort dit. Bach cantates komen regelmatig voorbij en Arnold vindt dit prachtig. Hij hoort het systeem in de cantates, ze lijken op elkaar. Het geeft hem rust en begrijpt dat Hilmar heel geconcentreerd kan werken met deze muziek op de achtergrond.

Arnold duikt weer de stads bibliotheek in op naar informatie over de structuur van deze Bach cantates. Hij heeft nauwelijks kennis van het notenschrijft maar is vast beraden het te leren en bijt zich erin vast. Hij luistert eindeloos Bach Cantates met partituren erbij. Gewoon oefenen en meelezen.

Ook komt hij in de bibliotheek componisten tegen uit andere tijden. Ook deze bestudeert hij grondig. Voor de tijd van Bach zijn het Pergulesie, Monteverdi, Buxtehudde, Luigie Rossie. Na de Bach tijd zijn het Mendelssohn, Beethoven en Rachmaninov (het gebruik van harmonische structuren past Arnold toe in al zijn liedjes)

Vanaf zijn 17de schrijft Arnold eindeloos veel composities op papier. Veelal voor piano en zang. Maar ook schrijft hij uitgebreide partituren.

Tot deze tijd luistert hij gekaderde muziek en heeft een gekaderd wereldbeeld. Maar op zijn 22ste maakt hij voor het eerst kennis met hedendaagse muziek. “Nacht und Hoffnung” van Otmar Màcha, een symfonisch gedicht. En Leos Janacek met het stuk “Taras Bulba”. Hij kan er geen touw aan vastknopen het is allemaal nieuw voor hem. Hij beluistert deze muziek keer op keer en gaat er echt van houden.

Er gaat een wereld voor hem open. Hij komt in contact met een ander idioom en hij gaat anders denken. Zijn klank wereldbee. Arnold ziet meer mogelijkheden om in klanktaal zijn turbulente persoonlijk leven en ervaringen vast te leggen en te plaatsen.
Met de kroeg – en straatband “Pieterburenoverlast” groeit Arnold qua routine, improvisatie en podiumpresentatie. Hij begrijpt hoe hij voor een publeikmoet staan. Maar Arnold wil meer gearrangeerde zanglijnen, meer vorm en meer structuur. Hij komt in de meatal muziek terecht. Hij kan hier iets met zijn interesse in muziek en structuren. Helaas is er in deze scene weer minder mogelijk met performance. Ook hier bereikt hij muzikaal snel een grens. Arnold wil vooruit.

Op aandringen van zijn moeder en bandmaat Piet start Arnold aan de vooropleiding bij het conservatorium in Zwolle.